Home Algemeen Algemeen Telefonische triage in de Meldkamer Ambulancezorg: onwaarheden over AMPDS/ProQA

Telefonische triage in de Meldkamer Ambulancezorg: onwaarheden over AMPDS/ProQA

2083
4

Toen ik in 2005 samen met een kleine groep meldkamerdeskundigen het Advanced Medical Priority System (AMPDS), waarvan de geautomatiseerde versie ProQA heette en heet, in Nederland introduceerde, kon ik niet vermoeden dat dit zou leiden tot zoveel onrust in meldkamer- en ambulancezorgland.

Hoe jammer.

In mei 2016 maakte één van de gebruikers van het systeem, de meldkamer Amsterdam, bekend over te stappen op het in Nederland ontwikkelde Nederlandse Triage Systeem. In de beeldvorming rond dit besluit werd van diverse kanten gesteld dat dit was omdat het AMPDS/ProQA systeem zou leiden tot gigantische toename van het aantal A1 ritten en dat de centralisten die tevens van mening waren dat dit systeem hun professionaliteit belemmerde, daarom in meerderheid hadden besloten om over te stappen naar het NTS.

In juni 2016 schreef de hoofdredacteur van het Vakblad Ambulance, tevens werkzaam als verpleegkundig meldkamercentralist, in zijn voorwoord dat hij deze stap dapper vond en dat men zich in Amsterdam kon scharen in de rij van andere grote steden zoals Londen die ook gestopt zouden zijn met het gebruik van AMPDS/ProQA. De bewondering is daarbij zijn eigen verantwoordelijkheid doch de zinsnede dat London is gestopt, berust op onwaarheid en is typerend voor de onwaarheden die sinds het begin van de invoering van AMPDS/ProQa in de MKA’s in Nederland, frequent en op meerdere plaatsen door diverse sleutelfiguren zijn verspreid.

Ik ga in dit artikel in op een aantal onwaarheden en misleidende beeldvorming. Ik nodig de lezer uit om vragen te stellen en feedback te geven via de e-mail jandenooij@live.nl .

Onwaarheid 1: de Nooij verdient geld met ProQA

Regelmatig is gesuggereerd dat ik financiële belangen zou hebben in AMPDS/ProQA. Niets is minder waar. Als medisch eindverantwoordelijke arts voor een middelgrote meldkamer ambulancezorg ben ik gevraagd zitting te nemen in het College of Fellows van de Internatioal Academies of Emergency Dispatch (IAED) om daarin samen met een grote groep internationale meldkamerexperts, te werken aan een continue verbetering van het AMPDS/ProQA. Dit levert geen rooie cent op en kost alleen veel (eigen vrije) tijd.

Onwaarheid 2: alleen een verpleegkundige kan telefonische 112 triage verrichten

Bij de introductie van AMPDS/ProQA in de Nederlandse meldkamer speelden de inmiddels vrijwel tot stilstand gekomen plannen om een landelijke meldkamerorganisatie in te richten waarin multi-triage van 112 meldingen zou gaan plaatsvinden.

Vanuit de ambulancezorg is toen een sterke lobby gestart om baas in eigen huis te blijven met behulp van het nooit wetenschappelijk onderbouwde doch inmiddels wél door vrijwel iedereen nageprate mantra, dat alleen een verpleegkundige in staat is om verzoeken om ambulancezorg die via 112 binnen komen, adequaat en veilig te triëren.

Nergens in de wereld van 112/999/911 triage denk men daar ook zo over doch kijkt men naar de benodigde competenties en niet naar het al dan niet in het bezit zijn van een registratie als verpleegkundige.

Vast staat dat sommigen verpleegkundigen van nature beschikken over de competenties die worden gevraagd van een meldkamercentralist in de 112 omgeving doch dat dit óók geldt voor personen met een andere vooropleiding.

Door vast te houden aan de stelling dat alleen de verpleegkundige in staat is om veilig en juist te triëren is de vraag wat feitelijk noodzakelijk is om op de best mogelijke manier telefonische triage uit te voeren in de 112 meldkameromgeving, naar de achtergrond verschoven en inmiddels nauwelijks meer hardop te stellen omdat dan een grote groep verpleegkundig centralisten zich bedreigd voelt in hun professionele existentie en daarin worden bevestigd door stakeholders met eigen belangen.

Onwaarheid 3: na 3 dagen training kun je een aap met ProQA laten werken

Vanaf het begin werd beweerd dat je iemand van straat kunt plukken om hem na een training van 3 dagen in te kunnen zetten als 112 centralist. Niets is minder waar.

Internationaal bezien duurt het gemiddelde opleidingsprogramma voor een 112 centralist 5-8 maanden waarbij de ProQA training slechts een klein onderdeel is van alles wat een centralist moet kunnen en kennen. De gemiddelde ProQA training als onderdeel van deze opleiding tot centralist in de topmeldkamers van Amerika, het Verenigd Koninkrijk, Canada en Australie duurt 3-6 weken waarbij de centralisten in spé niet alleen de complete Principles of Emergency Dispatch behandelen (een standaardwerk met 300 pagina’s) maar tevens alles leren over het systeem zelf en van hen wordt verwacht dat ze een aantal fundamentele zaken uit het hoofd leren en onder alle omstandigheden kunnen toepassen.

Saillant detail daarbij is dat in deze meldkamersystemen de centralist die de telefoon opneemt (de calltaker) pas na een aantal jaren te hebben bewezen de intake te kunnen uitvoeren, mag doorgroeien naar de uitgifte. De uitgifte centralist (de dispatcher) is in deze meldkamersystemen de beter betaalde en logistiek begaafde medewerker die uiteindelijk de spil in het ambulancezorgbedrijf is. In de Nederlandse meldkamers worden intake en uitgifte soms door één en dezelfde centralist uitgevoerd (terwijl het toch heel verschillende processen zijn die heel verschillende competenties vragen) of staat de intake centralist boven de uitgiftecentralist.

Onwaarheid 4: NTS en AMPDS/ProQA zijn vrijwel gelijk

Vrijwel direct nadat AMPDS/ProQA in Nederland in gebruik werd genomen, werd de vraag gesteld of het wezenlijk verschilde van het tot dan toe als dé oplossing voor de vervanging van de totaal ongeschikte Landelijke Standaard Meldkamer Ambulancezorg (LSMA) gepropageerde NTS.

Het LSMA moest er komen omdat indertijd niet werd gekozen voor de toen al jarenlang in Scandinavië gebruikte Nordic Triage Index maar voor een nog in eigen land te ontwikkelen systeem. Dit werd de LSMA die in de praktijk niet voldeed en werd opgevolgd door de NTS. De NTS kent zijn oorsprong in de triage in ziekenhuizen en is door de huisartsen in Nederland aangepast voor gebruik in de huisartsenpraktijk. Vanwege het falen van de LSMA en de beleidsvoornemens om de eerste lijns gezondheidszorg te reorganiseren (lees: de kosten meer beheersbaar te maken), werd dit NTS in sneltreinvaart aangepast aan de 112 meldkameromgeving en gepresenteerd als dé oplossing die er voor zou zorgen dat bij alle loketten in de gezondheidszorg “dezelfde taal” zou worden gesproken.

Het NTS wat heden ten dage dus wordt gebruikt in de meldkamer 112 is een aangepaste methodiek van een triagesysteem wat oorspronkelijk ontworpen werd voor fysieke triage in ziekenhuizen en door huisartsen.

Het AMPDS/ProQA is vanaf de eerste versie tot en met de huidige versie 13.0, specifiek ontworpen voor de telefonische triage van hulpvragen van burgers die via een noodnummer contact zoeken met een meldkamer.

Daarbij geldt een aantal uitgangspunten die wezenlijk verschillen van het NTS:

  1. In tijden van crisis zoek de hulpvrager leiding en iemand die zijn hulpvraag kan beantwoorden. Er wordt dan ook vanaf de eerste seconde op strikte wijze uitgevraagd en leiding gegeven. “Dansen met de melder/patient” is niet aan de orde.
  2. Telefonische triage is onderzoeken met “remote control” (afstandsbediening): de zintuigen van de melder zijn de middelen die de centralist zo goed mogelijk moet gebruiken.
  3. De vragen die de centralist stelt en de instructies die hij geeft moeten geschikt zijn voor een leek met het niveau van een 13 jarige.
  4. Het is de centralist verboden zelf “te dokteren” en hij heeft de opdracht om een door internationale experts ontworpen triage algoritme letterlijk en stap voor stap te volgen waarmee wordt voorkomen dat het kennisniveau en de vorm van de dag van de individuele centralist bepalend zijn voor de hulp die de hulpvrager krijgt.
  5. Het is de centralist verboden om op basis van zijn telefonische triage een (werk)diagnose te stellen omdat dit volstrekt onmogelijk is en het stellen van een (werk)diagnose een aan artsen voorbehouden handeling is. De centralist heeft als opdracht zo snel en goed mogelijk een toestandsbeeld te verkrijgen en de daaruit voortvloeiende vervolgacties te starten.
  6. De melder heeft altijd gelijk. De centralist heeft de taak om de melder onder alle omstandigheden te helpen en mag zich niet laten beïnvloeden door eigen normen en waarden en hoe hijzelf vindt dat een melder zich zou moeten gedragen.

Bovenstaande 6 punten worden in triage systemen buiten Nederland als vanzelfsprekend beschouwd en uitgevoerd doch het moge duidelijk zijn dat deze punten deels diametraal staan tegenover de verpleegkundige benadering van triageprocessen waarbij de eigen verpleegkundige professie centraal staat zoals als in het NTS het geval is.

Omdat in een ziekenhuis of huisartsenpraktijk de verpleegkundige triage kan plaatsvinden met een holistische blik en de daarbij behorende holistische benadering van de hulpvrager zoals dat binnen de verpleegkundige beroepsgroep als de kern van de professie wordt beschouwd, wordt aangenomen dat dit óók mogelijk is in de niet-visuele, niet-fysieke 112 meldkameromgeving.

In het NTS en alles wat daarmee samenhangt is deze aanname doorgevoerd waarmee het NTS een fundamenteel ander uitgangspunt dan het AMPDS/ProQA heeft.

In het NTS bestaat beslisruimte voor de individuele centralist (want dit is een verpleegkundige dus heeft hij eigen professionele kwaliteiten) terwijl in het AMPDS/ProQA het algoritme bepalend is en het alleen gaat om de communicatie kwaliteiten en relevante, basale paramedische kennis van de centralist.

In de AMPDS/ProQA visie op de telefonische triage van 112 meldingen gaat het er om om zo snel mogelijk voldoende informatie te verzamelen om te beslissen welk soort hulp moet worden gestuurd en is de centralist de eerste hulpverlener ter plaatse die op basis van de zogenaamde “zero-minute response” zo snel mogelijk start met veiligheids- en levensreddende instructies.

In de AMPDS/ProQA meldkamer is het geheel niet relevant om te weten wat het laatste gemeten bloedsuiker was van een onwel geworden diabetespatient of hoe hoog de laatst gemeten temperatuur van het kind was. Het enige wat telt is het actuele toestandsbeeld en daarbij zijn alleen “need-to-know” zaken van belang die direct consequenties hebben voor in te zetten hulp, urgentie en veiligheids- en zelfhulpinstructies.

In de AMPDS/ProQA meldkamer is de mate van pijn niet bepalend op de in te zetten hulp omdat pijn een uiterst subjectieve sensatie betreft die niet in relatie staat tot de ernst van een toestandsbeeld en die in de niet-visuele meldkameromgeving tot aannames zal leiden met alle risico’s van dien. Het feit bijvoorbeeld dat iemand 112 belt met pijn op de borst is bepalend en niet hoe erg deze pijn is op een schaal van 0 tot 10 en dat wordt dan ook niet uitgevraagd ( want dat kost ook nog eens tijd).In de AMPDS/ProQA meldkamer wordt niet gewerkt met schuifknoppen die door een centralist op basis van diens inschatting worden verschoven en daarmee van invloed zijn op de vervolgstappen.

In de AMPDS/ProQA meldkamer wordt het algoritme uitgelopen langs ja/nee lijnen en is geen enkele ruimte voor de persoonlijke inschatting van de centralist omdat inschatten onherroepelijk zal leiden tot kokervisie, confirmation bias en dus tot foutieve conclusies en daarmee het risico op calamiteiten groter maakt dan nodig binnen het meldkamerproces.

In de AMPDS/ProQA meldkamer zijn aannames en is inschatten daarom verboden. In het NTS krijgt de verpleegkundige expliciet de opdracht en ruimte om zaken op ernst in te schatten en daaraan conclusies te verbinden.

Ik denk dat dit de kern is van het grote verschil tussen AMPDS/ProQA en NTS en dat dit verschil nooit kan worden opgelost zolang niet wordt erkend dat aannames de oorzaak zijn van vrijwel alle calamiteiten in de niet-visuele meldkameromgeving.

(Ter illustratie voorbeeld 1 uit de praktijk: ”Centralist: O, ik hoor de baby op achtergrond huilen…… Moeder in paniek: Mmm……” Aanname door centralist: het is dus de baby . Gevolg: er worden geen reanimaties instructies gegeven. Gevolg: baby overleden want het was een ander kind uit het gezin wat huilde op de achtergrond.

Voorbeeld 2 uit de praktijk: 112 melding man onwel op straat om 23.30 in uitgaanscentrum grote stad. Centralist: “hij heeft zeker gedronken? Melder op eisende toon: “weet ik veel stuur nu maar een ambulance” Centralist: “ho ho een beetje rustig an he, we hebben niet samen op school gezeten” Gevolg: man in reanimatietoestand aangetroffen door ambulancebemanning en overleden in ziekenhuis bij ontbreken van telefonische reanimatie instructies omdat er van uit werd gegaan dat de man dronken was.)

Onwaarheid 5: de centralist wordt afgerekend als hij de tekst niet letterlijk voorleest

In de AMPDS/ProQA doctrine wordt gewerkt met vastgestelde teksten: de zogenaamde scripts. Het algoritme wordt gevuld aan de hand van de antwoorden op deze scripts totdat het punt is bereikt dat voldoende “need-to-know”informatie is verkregen waarna vervolgens aan de hand van gescripte instructies de veiligheid van betrokkenen wordt geregeld en met behulp van de zintuigen en spieren van de melder via remote-control wordt gestart met hulp bij reanimatie, stelpen van bloedingen of bevallen.

Er bestaat veel onduidelijkheid over het nut en de noodzaak van gescripte teksten bij uitvragen en instrueren en die leidt tot allerlei beeldvorming waarbij de nadruk komt te liggen op een soort van afrekencultuur als de centralist zich niet letterlijk aan de scripts houdt.

Ook dit druist zó in tegen de wijze waarop binnen de medische wereld in het algemeen en binnen de verpleegkundige beroepsgroep in het bijzonder wordt aangekeken tegen hoe er met patienten moet worden gecommuniceerd, dat alle hakken op voorhand in het zand zijn gegaan: zowel bij de centralisten zelf als bij de rijdende dienst.

Voor alle duidelijkheid: de taal en stem samen met de vragen en antwoorden zijn de elementen waarmee op afstand in een niet-visuele situatie zo snel mogelijk duidelijkheid moet worden gecreëerd en hulp moet worden gestart.

Op voorhand weet een centralist nooit welke hulpvraag de eerstvolgende 112 melding gaat brengen en hoe de mentale, intellectuele en emotionele toestand van de melder zal zijn. Dat betekent dat hij alle zeilen zal moeten bijzetten om te communiceren met de melder en niet de tijd heeft om steeds opnieuw bij iedere melding weer na te denken over de juiste vragen of instructies.

Scripts zijn daarom letterlijk van levensbelang voor de melder en maken het mogelijk voor de centralist om zich te concentreren op het allerbelangrijkste: zorgen dat hij zo snel mogelijk de juiste informatie krijgt en kan starten met hulpverlenen.

(Ter illustratie: probeer eens om met een 2e persoon met de ruggen naar elkaar toe te gaan zitten en geef deze persoon dan de instructies om zijn veters te strikken waarbij hij precies moet doen wat jij zegt. Stel je nu eens voor dat je als centralist een vader moet instrueren om zijn vrouw te helpen bij een bevalling en dan ook nog eens blijkt dat de navelstreng om het halsje van de baby zit. Of een moeder in paniek moet gaan uitleggen hoe ze haar kleuter die stikt moet helpen. Kun jij dat uit je hoofd of heb je dan graag een gescripte tekst waarin alle stappen van te voren goed zijn uitgedacht en in lekentaal zijn opgeschreven zodat je ze kan voorlezen en kan concentreren op je communicatie met de melder?)

Daarnaast wordt door veel mensen die betrokken zijn bij het meldkamerwerk de macht van de taal en het effect van het juiste taalgebruik, ernstig onderschat.

In de IAED die het AMPDS/PrOQA inhoudelijk bewaakt en steeds probeert te verbeteren zijn een aantal linguïsten (taaldeskundigen) werkzaam die er op toezien dat de scripts in iedere van de (tot nu toe) 34 talen waarmee het protocol werkt datgene doen wat ze beogen te bereiken.

Het antwoord op een gecombineerde vraag als “is hij wakker en ademt hij” zal nooit duidelijk maken wat er aan de andere kant van de telefoonlijn wordt waargenomen door de melder omdat een “ja” noch een “nee”  zekerheid biedt. Is hij wakker en ademt hij? Is hij wel wakker maar ademt hij niet? (een leek ziet iemand met een harstilstand met open ogen liggen). Is hij niet wakker maar ademt hij wel? En zo voorts. Dit zal de centralist verleiden tot het doen van aannames en anders veel tijd kosten om alle opties te checken. Als de 2 vragen los worden gesteld bepalen de antwoorden ja of nee ieder voor zich de volgende stap in een algoritme.

Het antwoord op de vraag “ademt hij wel?” zal in bepaalde gevallen leiden tot een “ja” van de melder die de neiging zal hebben om de centralist tevreden te willen stellen terwijl het “nee” had moeten zijn. Alle vragen in het 112 triageproces moeten dus open en waardevrij zijn omdat sturende vragen leiden tot beeldvorming die niet gecorrigeerd kan worden door de centralist die niet bij de patient is.

Het belang van de juiste woordkeuze, woordvolgorde en vraagvolgorde in de niet-visuele en dus van taal afhankelijke meldkamer 112 triage, maakt dat er geen ruimte bestaat voor het maken van eigen zinnen of het per keer op eigen wijze herformuleren van scripts.

Omdat de scripts, de taal en de stem van de centralist diens belangrijkste instrumenten zijn, wordt continue gecontroleerd of de centralist deze zoals noodzakelijk is gebruikt en krijgt hij continue feedback over wat beter kan waarbij gebruik wordt gemaakt van een gestandaardiseerde meetmethode en scoringstabel.

Dat wordt in de Nederlandse cultuur al snel ervaren als controle en afrekenen doch dat is ten onrechte omdat het niets anders is dan de piloot die een aantal malen per jaar moet laten zien dat hij onder alle omstandigheden in staat is om zijn vliegtuig in de lucht te houden.

De meldkamer 112 is net zoals de cockpit van een vliegtuig een hoog risico omgeving die streng toezicht en controle noodzakelijk maakt omdat de mensen die er van afhankelijk zijn hun leven toevertrouwen aan degene die aan de knoppen zit.

Het gaat dus niet om afrekenen maar om bewaken van de veiligheid voor melder en centralist wetende dat het juist gebruik van scripts zorgt voor snelle hulp en maximale patientveiligheid.

Onwaarheid 6: AMPDS/ProQA leidt tot veel meer A1 ritten

Uit de afgelopen jaarrapportages “Ambulances in zicht” blijkt dat er geen significant verschil bestaat tussen regio’s waar NTS wordt gebruikt of AMPDS/ProQA als het gaat om het aantal gereden ritten per inwoner.

Het stijgende ritaanbod en toename van het aantal A1 ritten zien we over het hele land en heeft niets te maken met het gebruikte triagesysteem. Hetzelfde geldt voor het percentage Eerste Hulp Geen Vervoer (EHGV).

Wél wordt in de AMPDS/ProQA meldkamer gewerkt met een zogenaamde responstabel waarbij door de samenwerkende meldkamers aan iedere uitkomst van het algoritme een urgentie is gekoppeld. De urgentie is dus niet onderdeel van de AMPDS/ProQA triage doch slechts op nationaal niveau gekoppeld aan de uitkomst van het door het algoritme bepaalde triage proces.

Mocht blijken dat op een bepaalde triage uitkomst objectiveerbaar te hoog wordt ingezet en er dus sprake is van overtriage, dan kan de urgentie zonder problemen en op landelijk niveau omlaag worden gebracht. Omgekeerd geldt hetzelfde.

Het is dus niet de centralist die per keer bepaald of het een A1 of A2 wordt, doch het algoritme met de daaraan gekoppelde responstabel (de Landelijke Urgentie Tabel LUT). Deze benadering zorgt er voor dat de melder met hetzelfde soort hulpvraag altijd met dezelfde urgentie hulp krijgt: in de ene regio kan dat een solo-responder zijn, in de andere een ambulance want dat wordt regionaal bepaald. Daarmee is de rechtsgelijkheid geborgd voor het hele land.

Tot slot

Ik kan nog veel meer onwaarheden opschrijven en nader ingaan op wat ik zie als onderliggende redenen in deze meldkamertriage discussie doch wil me beperken tot een laatste observatie.

Ik ben er van overtuigd dat vrijwel iedere centralist in de Meldkamer Ambulancezorg, of deze nu werkt met NTS of AMPDS/ProQA, er van overtuigd is zijn patiënt het beste te helpen op de manier zoals hij dat doet en zich daartoe dan ook maximaal inspant.

Het wordt echter tijd om opnieuw te kijken naar het telefonische triageproces in de meldkamer 112 en daarbij waar nodig over de eigen schaduw heen te stappen en diep na te denken over de échte redenen waarom men wil vasthouden aan een aantal zaken. De gewetensvraag daarbij is of de meldkamer er voor de centralist is om deze een zo fijn mogelijke werkomgeving met maximale professionele, individuele ruimte te geven of dat het tijd is voor aanscherping van eisen, processen en professionele bandbreedte wat gepaard gaat met een forse cultuurverandering die deels haaks staat op datgene wat voor velen werken in de zorg zo aantrekkelijk maakt.

Het wordt tijd dat de verpleegkundige beroepsgroep en ambulancezorgorganisaties bij zichzelf te rade gaan en het antwoord gaan zoeken op de vraag wat de voordelen én nadelen zijn van het vasthouden aan het uitgangspunt dat alleen een verpleegkundige telefonisch 112 aanvragen kan en mag triëren en of dit dan gaat om de patiënt of om andere belangen.

Het is in ieder geval mijn stellige professionele overtuiging dat telefonische triage vraagt om een specifieke benadering en niet kan en mag worden beschouwd als een voortzetting van de klassieke, fysieke triage. Daarbij zijn begrippen als standaardisatie, scripting, toezicht, feedback en vooral de juiste competenties van het allergrootste belang.

Het lijkt er op dat de makers van het NTS dit deels beginnen te begrijpen gezien het feit dat NTS meer en meer begint te lijken op ProQA voor wat betreft vormgeving en instructies.

Als laatste ben ik van mening dat de principes die gelden voor de 112 triage in de witte meldkamer 1 op 1 óók gelden voor de blauwe en rode meldkamer en dat daar waar in de witte meldkamer nog wordt gesteggeld over wat het beste is, in de blauwe en rode meldkamer nog niet eens is gestart met systematische triage van 112 meldingen.

In dat opzicht is er nog een wereld te winnen in het belang van de burger die 112 belt.

bron: meldkamer112

Telefonische triage in de Meldkamer Ambulancezorg: onwaarheden over AMPDS/ProQA
2.6 (52%) 10 beoordeling(en)

4 REACTIES

  1. Chapeau Marcel! Open podium maakt discussie. Niemand heeft de waarheid in pacht!

  2. Hoi Nick en andere lezers.

    Ik begrijp in je reactie niet waarom je ambulance blog verwijt om iemand een podium te geven. Volgens mij is het een plek waar een ieder zijn mening mag geven en uiteraard mag een ieder daarop reageren.
    Niet relevant of ik voor of tegen welk systeem ik ben, maar lees dit soort onderwerpen gewoon uit interresse en kan zelf bepalen wat ik er mee wil doen etc.
    Laten we proberen om dit podium juist open te houden voor een ieder dien zijn of haar professionele mening wil delen binnen de grenzen van het fatsoen uiteraard.

    Voor alle duidelijheid, ik heb geen relatie met ambulance blog, ook niet met Jan de Nooij.
    Maar ben een gedreven collega die ook vindt dat we wel erg veel eerste hulp geen vervoer doen, veel ritten doen voor huisartsen posten etc etc.

    Lijkt me bijzonder interessant om een artikel van jouw hand te lezen met ondebouwing voor NTS of welk systeem dan ook.

    Vriendelijke groet Marcel van Strijland
    Ambulance verpleegkundige

  3. Geachte redactie, beste voorzitter,

    Waarom blijven jullie deze heer de Nooij een podium geven om zijn eenzijdige mening te ventileren. Deze mening staat recht tegenover de mening van velen medewerkers “verpleegkundigen” en chauffeurs in de ambulancezorg.

    Het lijkt zelfs of hij dit medium gebruikt om zieltjes voor zijn project tegen beter weten in probeerd te winnen onder een toenemende grote groep tegenstanders.

    Ik zeg stoppen hiermee want Amsterdam heeft al laten zien dat er geen draagvlak meer bestaat voor dit simplistisch uitvraagsysteem welke geen ruimte geeft voor eigen inzicht en ervaring en vooral niet toelaat om simpel boeren verstand te gebruiken.

    We zijn als land misschien wel juist diegene die met verpleegkundigen wel werk diagnoses kunnen en mogen stellen en dat steekt m.i. velen artsen zoals dhr. de Nooij.

    Ik nodig hem uit eens zitting te nemen in de vakgroep waar de professionals hun ervaringen met de verschillende uitvraagsystemen met elkaar uitwisselen.

    Een uitvraagsysteem is geen doel op zich maar moet m.i. een goed hulpmiddel blijven om tot een goede en verantwoorde Triage te komen.

    Met vriendelijke groet,

    Nick Smeijsters
    Ambulanceverpleegkundige
    HIN gz
    Lid vakgroep V&VN

  4. Goed artikel, geeft inzicht.

    Ik ben wel erg benieuwd hoe onderstaande wordt geobjectiveerd en of dit sinds de invoering al is gebeurd en zo ja, hoe dit inzichtelijk is.

    “Mocht blijken dat op een bepaalde triage uitkomst objectiveerbaar te hoog wordt ingezet en er dus sprake is van overtriage, dan kan de urgentie zonder problemen en op landelijk niveau omlaag worden gebracht. Omgekeerd geldt hetzelfde.”

    Daarnaast vind ik de combinatie van de systemen huisartsenpost en mka interessant, in mijn beleving komen met name uit de doorverwijzingen veel ehgvv ritten.

Comments are closed.