Home Algemeen Algemeen Psychosociale ondersteuning (Duitsland)

Psychosociale ondersteuning (Duitsland)

1483
0

Bijna twintig jaar geleden werd ik verpleegkundige in Nederland. Inmiddels woon ik al meer dan tien jaar in Duitsland. Een land dat de (HBO)verpleegkundige niet kent en erkent.
Ik werk nu in een vak, in een beroepsgroep, die Nederland niet kent. Ik vind het leuk om daarover te vertellen, zeker aan collega-verpleegkundigen(want dat blijf je nu eenmaal altijd). Maar eerst moet ik iets vertellen over het Duitse “systeem”.

De Duitse “Rettungsdienst”is absoluut niet te vergelijken is met de ambulancezorg, zoals Nederland die kent; bel je in Duitsland een ambulance, dan is deze bemand door een Rettungsassisstent en een Rettungssanitäter. Er komt nu nog een “hoger niveau”bij, dat van Notfallsanitäter. Maar nog steeds zijn de vaardigheden/bevoegdheden niet vergelijkbaar met die van ons, als verpleegkundigen.
Er wordt, parallel een Noodarts op pad gestuurd. Er rijden dus altijd minimaal twee voertuigen aan, bij een medische 112-melding. Bovendien maken we, in het landelijke gebied waar ik woon, veel gebruik van de reddingshelicopter.

Je hebt grote kans dat je, in een medische noodsituatie in Duitsland, geholpen wordt door een vrijwillige medewerker. Ik werk ook vaak in het “Ehrenamt”. Alleen de benaming geeft al aan hoe verschillend we als buurlanden naar dit fenomeen kijken; in Duitsland zijn functie-eisen/profielen voor Ehrenamtler en beroepskrachten identiek. Als ik niet betaald word voor mijn werk, zegt dat niets over de professionaliteit. We hebben allemaal dezelfde rechten en plichten, intervisie en supervisie. En tot op de hoogste niveau´s van crisisopschalingen kun je Ehrenamtler vinden; dan wordt er gekeken wie de juiste expertise heeft, in de betreffende casus.
In Nederland, waar ieder uur aanbesteed en betaald moet worden, is dit onvoorstelbaar.

“Mijn” Bundesland(NRW) is grofweg vergelijkbaar met Nederland,qua aantal inwoners, etc. Ieder Bundesland is onderverdeeld in Kreise. En iedere Kreis bepaalt zelf hoe de hulpverlening geregeld is(wie in Duitsland komt, ziet meteen hoeveel verschillende uniformen en reddingsdiensten er zijn).
Dat leidt tot veel muurtjes en soms zelfs concurrentie, maar als het erop aankomt, zetten we allemaal de schouders onder de gezamenlijke casus. Dan volgt er achteraf wel wat bijbehorend geroezemoes, waar wij ons niet zoveel van aantrekken.
Duitsland is veel groter dan Nederland, maar tijdens incidenten is de Duitse verbinding tussen de allerhoogste niveau´s (ministers/ministeries) en de “boots-on-the-ground” veel hechter dan in Nederland; er is direct contact en de lijntjes lijken hier veel korter. Zo heeft de Minister-President van NRW,na de Germanwingsramp, haar agenda, interventies, en statements mede door mijn collega´s laten invullen.
Een ander voorbeeld; in Duitsland weet bijvoorbeeld ook helemaal niemand wie de baas van de politie is. En dat is hier ook helemaal niet belangrijk.
Dat wordt gestimuleerd door ons “rampenministerie”; het Bundesamt für Bevölkerungs- und Katastrophenschutz (BBK). Zij vormen onze “paraplu” en trekken ons aan de diverse jassen, wanneer er muurtjes dreigen te ontstaan.

En nu naar mijn vak; in het grote Duitsland zijn er ook voor ons (nog) verschillende namen, maar we vormen een aparte, geuniformeerde dienst, naast politie, brandweer en ambulancediensten.
De PSNV(leg ik zo uit) is vertegenwoordigd in alle niveau´s van de crisisorganisatie.
Ik werk als crisis interventionist. We hangen aan de meldkamer en inmiddels is er in heel Duitsland een 24-uurs dekking.
Afhankelijk van de Kreis worden er dan van een KIT (Kriseninterventionsteam), KID (Kriseninterventionsdienst) of Notfallseelsorgeteam opgeroepen, met de aanrijdtijd van spoeddiensten. “Onze” teams zijn multidisciplinair samengesteld; in één team vind je mensen met een militaire achtergrond, politiecollega´s, medische collega´s, brandweercollega´s, mental health professionals en collega´s uit de zielzorg/rouwbegeleiding. Daarnaast hebben alle diensten teams voor collegiale ondersteuning. Een team komt maandelijks samen,voor intervisie.

Een aantal jaren geleden besloot het BBK(het ministerie), dat het tijd was voor professionalisering; al die bonte pakken en benamingen moesten maar eens rond de tafel. Bovendien moest de psychoscociale ondersteuning aan burgers nu echt onder één paraplu worden gebracht met de collegiale ondersteuning van hulpverleners. De paraplu werd PSNV genoemd (Psychosoziale Notfallversorgung).
Daaronder valt de (psychosociale) bevolkingszorg en de PSU (Psychosoziale Unterstützung) van alle betrokken hulpverleners. Dat zijn twee totaal aparte kolommen(met een verschillende werkwijze) , maar ze worden uniform gecoördineerd.
Nog steeds is men het niet eens over de uniformen en benamingen, maar er zijn een heleboel grote stappen gemaakt; men kwam tot functieprofielen en opleidingseisen voor ons vak.
Ik leid met heel veel passie en plezier nieuwe collega´s op. En om leiding te mogen geven, stelt het BBK de harde eis van “Feldkompetenz”; wie leidt, moet actuele “boots-on-the-ground”-ervaring hebben. Een beetje zoals het bijhouden van je verpleegtechnische vaardigheden, voor het BIG-register. Ik zou het zelf ook niet anders willen!

Gelukkig komen grote incidenten maar zelden voor
Dagelijks worden collega´s door de meldkamer opgeroepen voor “kleine” incidenten. Ik schrijf het tussen komma´s, omdat het stuk voor stuk rampen zijn, in individuele situaties.
Voorbeelden van indicaties zijn familiedrama´s, ingewikkelde suicides, dodelijke verkeersongevallen en het plotseling overlijden van kinderen. Of een geplande inval van een arrestatieteam (als er kinderen aanwezig zijn). Ik ben ook de-escalerend onderhandelaar.
Omdat de politie aangaf het als erg fijn en ontlastend te ervaren, begeleiden we agenten, tijdens het informeren van nabestaanden, na een plotseling overlijden.

Iedere casus is anders. En dat maakt mijn vak ook zo enorm boeiend
Ik kan jullie helaas niet meenemen op een uitruk en het is ook lastig om een lijst van taken op te sommen. Wat doen we nu precies?
Een voorbeeld; een suicide,waarbij jonge kinderen de ouder vonden. We komen meteen ter plaatse, met politie, ambulance en noodarts. Er is chaos en paniek.
Hier is het zo dat de politie het “plaats delict” onaangeraakt moet laten, totdat de recherche komt. De recherche moet vaak van ver komen.
In trainingen plak ik stickertjes voor alle personen,die zich dan op zo´n plek bevinden. Dat zijn er veel. En ze hebben allemaal hun eigen belangen.

Wij zorgen voor rust, structuur.Maar ook voor ruimte voor een veilige catharsis(vroeger kregen nabestaanden kalmeringsmiddelen. Nu geven we die nog maar heel beperkt). Begeleiden de nabestaanden en leggen uit wie er allemaal zijn/komen, wat ze gaan doen en waarom dat belangrijk is. We brengen gezinsstructuren in kaart en kijken, wie, uit het persoonlijke netwerk van de familie, ter ondersteuning geroepen kan worden.
Tegenwoordig zijn er steeds meer “patchworkfamilies”; de juridisch meest naaste persoon is niet bij voorbaat de meest dierbare persoon van de overledene.
Zijn er nog andere kinderen(vaak ver weg)? Dan alarmeren we onze collega´s aldaar. Gewoon via de meldkamer. Dan gaat er elders een collega, met een politie agent, op pad. Omdat ieder kind professionele ondersteuning verdient.

Is het politie onderzoek afgerond, dan wordt het lichaam hier altijd meegenomen. Voordat dat gebeurt, willen we het akelige, enge beeld van het vinden/ontdekken vervangen. Een fysiek afscheid kan zó belangrijk zijn. In overleg faciliteren we rituelen, die bij het specifieke gezin horen/passen. Dat kan religieus(we zijn geschoold in riten/gebruiken), maar hoeft dat niet te zijn; in mijn uitrusting heb ik kaarsen en andere materialen. Als je de machteloosheid en hopeloosheid van nabestaanden kunt mitigeren, zo leert de ervaring ons, beperk je mogelijke “restschade”. Hen werd de totale controle ontnomen, in de voorafgaande uren. Die proberen we, voor zover dat mogelijk is, terug te brengen.

De “gemiddelde” uitruk duurt een uur of drie. Doel is om mensen in veilige, bekende handen van naasten achter te laten; er valt altijd wel het één en ander te activeren. In uitzonderlijke gevallen lukt dat niet. Dan dragen we over aan jeugdzorg of andere nazorginstanties. Maar in principe willen we de mensen in de veiligheid van hun eigen, bekende kring achterlaten; er zijn al zoveel vreemden in huis geweest. Eerst moeten rust en veiligheid en ruimte voor alle emoties geboden worden.

Dit is maar één voorbeeld. Bij een aanrijding met meerdere overledenen ga je natuurlijk heel anders te werk. Mensen stuiteren naar beneden in de pyramide van Maslow; rust, structuur, veiligheid, gevalideerde informatie zijn zaken, die gefaciliteerd moeten worden.
We zorgen dat hulpverleners hun werk kunnen doen. Niet gestoord worden. Gaan pro-actief en open in contact met de media, zeker als er potentie voor maatschappelijke onrust is. Betrekken journalisten soms ook in het nazorgtraject, wanneer ze erg belast blijken.
Al tijdens het incident worden er zaken voor de betrokken hulpverleners georganiseerd, binnen hun eigen systemen. Maar multidisciplinair aangestuurd; de agent,die het kind actief mee-reanimeert is nu eenmaal anders belast dan de agent,die verderop het verkeer omleidt. Als je die twee samenzet in een natraject, kan de één de ander secundair traumatiseren. En voelt de ander zich niet begrepen.
Dat is maar één voorbeeld.

Binnen de collegiale hulpverlenersondersteuning heb ik een toolkit, net als de ampullen van de verpleegkundige. Ik zet ze op maat in. Van interventies voor grote groepen tot individuele, specifieke interventies; er is heel veel mogelijk. Uiteindelijk wordt de hulpverlener ondersteund door iemand in het eigen uniform, met de eigen rang. Maar altijd incidentgericht, vanuit de multidisciplinaire structuren. De lokale teams beschikken allemaal over een basistoolkit. De verschillende disciplines werken naadloos samen. En indien er ampullen uit de “gevorderde kit” nodig zijn, is een belletje aan ons, vanuit de beroepsvereniging, genoeg.
Ze weten ons te vinden, omdat we regelmatig samen oefenen en bijscholen.

Met name het landelijk dekkende netwerk is geweldig; inmiddels werken verschillend buurlanden op dezelfde manier. Hebben we hier slachtoffers uit, bijvoorbeeld, Zwitserland, dan weet ik dat hun nabestaanden, met één telefoontje, dezelfde ondersteuning krijgen als de nabestaanden hier.
Voor nabestaanden is er in Nederland best veel geregeld(teveel, denk ik soms wel eens…?).
Voor hulpverleners helaas niet.

Collegiale ondersteuning kan niet commercieel gemaakt worden; met de juiste ondersteuning moet iedere Veiligheidsregio, zeker in het “kleine” Nederland, zelfredzaam kunnen zijn. Dat kan in andere landen ook. Leid eigen mensen tot trainer op en deel casuistiek; dat is voor ons vanzelfsprekend.
Ik begrijp niet dat bepaalde diensten in Nederland worden aan- en uitbesteed; hoe waarborg je de professionaliteit en de vertrouwelijkheid van je systeem?
De Nederlandse richtlijn geüniformeerden adviseert multidisciplinaire samenwerking, maar ik zie dat op hoog niveau niet gebeuren.
Nederland heeft een flitsend nieuw Slachtofferinformatiesysteem, maar waar worden de hulpverleners geregistreerd, rond een incident?
Voordat enig initiatief landelijk kan werken, in Nederland, moet Den Haag worden aangedockt, aan het crisissysteem.
De hulpverleningszuilen hangen onder verschillende ministeries. Dat kan, zolang je maar zorgt dat er, op het hoogste niveau, multidisciplinaire “veldcompetentie” beschikbaar is.
Timmer de burgerzorg niet zo vast en kijk wat er lokaal te activeren valt; zet je buitenste lijnszorg zo weinig mogelijk in, in de acute fase van een incident.
Maak crisismanagement slim en flexibel; wie past, qua expertise en ervaring, bij een bepaald incident? Zorg dat je elkaar weet te vinden!
Ik denk dat er financieel enorm veel te besparen valt in Nederland.
Verschuif dat geld;als overheid heb je a priori een zorgplicht naar je hulpverleners!!!!