Home Algemeen Algemeen LPA8, nieuwe protocol voor de Nederlandse Ambulancezorg (deel3)

LPA8, nieuwe protocol voor de Nederlandse Ambulancezorg (deel3)

4163
0

In deel 3 van onze analyse* van de LPA 8 gaan we in op een volgende serie protocollen.

Met de 4-protcollen gaan we verder op de zogenoemde zorgverleningsprotocollen-protocollen. De 4-protocollen omvatten de reanimatie. Deze zijn losgekoppeld van het hoofdstuk Cardiologie.

4.1  Reanimatie

Het reanimatieprotocol 4.1 in de LPA 8 vervangt 12.8 Circulatie arrest en 12.9 circulatiearrest > 15 min. Ook voor dit protocol geld het is overzichtelijker geworden. Het lijkt of er meer ruimte is gekomen voor de interpretatie van  de situatie/casus door de individuele ambulancehulpverlener. Hoewel verwezen wordt naar de opgenomen klinische verschijnselen van biologische dood, start de ingangsoverweging van het protocol met de vraag: reanimatie zinloos ja/nee.

4.2 Reanimatie kind

Dit protocol vervangt 17.12 en 17.31 De grens om voor dit protocol te kiezen ten opzichte van het volwassen reanimatieprotocol is de puber leeftijd. Ziet het slachtoffer er in de ogen van de ambulancehulpverlener er pre-puberaal uit wordt dit protocol gekozen. Er is gekozen om aan te sluiten bij het in Europa meest gebruikelijke schematische weergave van de reanimatie en daarmee te breken met de weergave in de eerdere LPA’s. De toe te dienen medicatie, evenals het moment waarop is in aparte blokken onder het loop-schema weergegeven. Het protocol bestaat uit een linker en rechter loop waarbij de linker loop een defibrilleerbaar ritme behandelt en de rechter loop een niet defibrilleerbaar ritme.

4.3 Reanimatie

Dit protocol vervangt 12.5 en 12.16. Voor dit protocol geld het zelfde als voor het kinder reanimatieprotocol mbt de weergave. Dit protocol bestaat uit twee loops zoals de meest gebruikte reanimatieschema’s in Europa. Inhoudelijk volgt dit protocol (evenals het kinderprotocol overigens) de ERC-guidelines en wijkt niet af van het huidige protocol. In dit protocol is sedatie en/of pijnstilling opgenomen bij het gebruik van mechanische toraxcompressie.

4.4 ROSC na reanimatie

Inhoudelijk is dit protocol vergelijkbaar met 12.13 uitLPA 7.2 Er worden geen grenswaarden aangegeven maar termen gebruikt als “zuurstof therapie op geleide SpO2” en “corrigeer hypoglycaemie”. Ook hier wordt de ambulance hulpverlener aangesproken op professioneel aanwezige kennis ter beoordeling van de vitale waardes. Nieuw in dit protocol is dat de patiënt niet opgewarmd dient te worden. Voor actief koelen in de preklinische setting is nog geen evidence.

Vanaf de 5-protocollen gaat het om de specifieke zorgverlenings-protocollen. De 5-protocollen betreffen de cardiologie

5.1 Acuut coronair syndroom

12.1 Acuut cordiale klachten en 12.2 Acuut coronair syndroom pijnbestreiding zijn komen te vervallen. 5.1 vervangt 12.3 uit 7.2 Acuut coronair syndroom triage. Bij een acuut coronair syndroom wordt ntg opgeleide pijn en systolische RR gegeven en Ascal . Indien er spaken is van een STEMI wordt een P2Y12 ADP-receptor blocker voorgeschreven. Inmiddels zijn er naast Clopidogrel meerder middelen op de markt vandaar deze term. Dit protocol voorziet verder in pijnstilling op basis van pijnscore. Wat ontbreekt is aanvullende medicatie ter voorbereiding op de PCI. Hiervoor is na dit protocol een bladzijde leeg gelaten tbv een regionaal protocol omdat is gebleken dat in de meeste regio’s verschillende voorbereidingen gelden.

5.2 Astma cardiale

Dit protocol is geminimaliseerd tot een opsomming van de te geven medicijnen. Immers het A- en B-probleem wordt ondervangen in de algemeen protocollen. De te geven middelen zijn niet gewijzigd tov 7.2 Wel wordt in dit protocol bij onvoldoende oxygenatie CPAP aanbevolen.

5.3 Bradycardie kind

In een sterk vereenvoudigd schema blijft de start van dit protocol gelijk met het oude protocol. Zonder verder in detail te treden wordt eerst aanbevolen dat hypoxie en shock moet worden behandeld. Atropine wordt alleen gegeven indien er spraken is van een vagale prikkeling. Nieuw in dit protocol is het gebruik van adrenaline indien er geen sprake is van een vagale prikkeling. Als adrenaline niet het gewenste effect heeft wordt ter overweging gegeven om te gaan pacen. Waarna ook pijnstilling weer aan de orde komt.

5.4 Bradycardie volwassene

Uitgangspunt voor dit protocol is eerst de oorzaak van de bradycardie oplossen indien mogelijk. Indien er spraken is van hemodynamische instabiliteit wordt dit protocol gevolgd. Transcutaan pacen wordt eerder toegepast bij een unresponsive patiënt. Atropine volgens dit protocol is maximaal 2 mg. Ook wordt in dit protocol pijnstilling en anxiolyse besproken. Het pacen wordt inhoudelijk voorgeschreven, zie ook de verantwoording. Hierbij is van belang dat we niet meer gaan “drempelen”. Het is gebleken dat bij het opdraaien van de stroom tot capture, terugdraaien tot no-capture dat dit de drempelwaarde kan verhogen waardoor een hart minder ontvankelijk wordt. Met andere woorden, stroom opdraaien tot capture en dan afblijven.

5.5 Cardiogene shock

Dit protocol is sterk vereenvoudigd. Indien er geen sprake is van een astm,a cordiale of een tachycardie kan in ieder geval 500 ml NaCl 0.9 % gegeven worden. Als er vervolgens sprake is van een inferior-infact met rechtervenrikel uitbreiding kan nogmaals 50 ml NaCl 0.9% geven worden. De plasmavervanger is verdwenen uit dit protocol

5.6 LVAD

Dit is een nieuw protocol. Zoals eerder gememoreerd zijn enkele zeer specifieke protocollen opgenomen. Uitgangspunt voor behandeling van patiënten met een LVAD en een acuut circulatoir probleem meer veneuze return aanbieden (trendelenburg en vulling), eventueel defibrilleren. Kinderen worden niet behandeld preklinisch. Heel belangrijk wordt geacht dat bij deze patiënten geen thoraxcompressie wordt toegepast. Hierdoor ontstaat dislocatie en of een rutuur van de aansluitende canules van de pomp of van het hart. Bij mensen met een LVAD zal ip geen pols gevoeld worden omdat het een constante (niet pulserende) flow is. Men zal uit moeten gaan van klinische verschijnselen van een slechte circulatie, misselijkheid, koude acra en duizelingen. Ook de SpO2 meting is onbetrouwbaar.

5.7 Pacemaker / ICD

In dit protocol zijn 12.11 en 12.12 uit LPA 7.2 samengevoegd. De term defibrilleerbaar ritme is logischerwijs te komen vervallen. Immers heeft men te maken met een fibrillerende patiënt komt men terecht in een reanimatieprotocol in plaats van dit protocol. Deze denkwijze is overigens consequent doorgevoerd waardoor alle protocollen veel overzichtelijker zijn en alleen die informatie bevatten die er toe doet. Bij dit protocol gaat het om het plaatsen van een magneet bij malfunctie. Uiteraard wel eerst vaststellen dat het om malfunctie gaat door middel van een ritmestrook. Indien de ICD vuurt obv van VT/VF (en dus terecht) voorziet dit protocol in pijnstilling en sedatie.

5.8 Tachycardie kind

Een vereenvoudigd protocol waarin zowel de breed complextachycardie en de smalcomplextachycardie is opgenomen. Uitgangspunt voor een responsieve patiënt is vlotte cardioversie conform huidige (NRR) waardes, idem aan 7.2. Indien de patiënt bij bewustzijn is wordt alleen medicamenteus behandeld. Valsalva is komen te vervallen. Bij een smalcomplextachycardie waarbij de patiënt niet responsieve is, is geen preklinische behandeling omdat deze tachycardie door kinderen meestal goed verdragen wordt.

5.9 Tachycardie volwassene

Dit protocol is vergelijkbaar met het protocol voor kinderen. In dit protocol wordt niet meer gesproken over Valsalva maar breder, van vagale manoeuvres. Hieronder wordt verstaan Valsalva, Duikreflex door koud water in het gezicht toe te passen of een braakreflex op te wekken. Dit protocol bevat echter nog steeds de medicamenteuze behandeling van de smalcomplextachycardie met behulp van adenosine. Amiodarone dient bij voorkeur per spuitpom te worden toegediend.

 

In een volgend artikel gaan we verder met de 6-protocollen, Verloskunde en de 6-protocollen, Interne. Dit is het volg van de specifiek “zorgverlening-protocollen”

* “onze analyse” betreft de analyse van de redactie AmbulanceBlog.nl van de LPA8 zoals die bij de Slotconferentie op 11 februari is gepresenteerd. Hierbij wordt opgemerkt dat het hier om het voorlopige protocol gaat wat nog niet definitief is. Hoewel dit protocol als “pre-release” kan worden beschouwd kan het zijn dat er in het definitieve protocol enkele wijzigingen zullen zijn. Aan “onze analyse” kunnen geen rechten mbt tot de definitieve uitgave en invoering binnen de ambulancezorg worden ontleent.

LPA8, nieuwe protocol voor de Nederlandse Ambulancezorg (deel3)
4.3 (86.67%) 3 beoordeling(en)