Home Algemeen Algemeen LPA8, nieuwe protocol voor de Nederlandse Ambulancezorg (deel2)

LPA8, nieuwe protocol voor de Nederlandse Ambulancezorg (deel2)

3332
0

In deel 2 van onze analyse* van de LPA 8 gaan we in op een volgende serie protocollen.

1.1 t/m 1.4 bevatten het voorwoord, uitgangspunten, uitleg methodiek (van de protocollen) en de verklaring van de symbolen

De “2”-protcollen zijn de zogenoemde begin-protocollen

2.1  Grootschalig incident / 2.2 Triagekaart GHOR

Het protocol “1e ambulance” is inhoudelijk niet veel veranderd. Het protocol echter heeft een duidelijker methode meegekregen. De werkzaamheden die bij de 1e ambulance horen zijn nu ondergebracht in het CSCATT-model wat we kennen uit de MIMMS. Een belangrijke verschuiving binnen het protocol is de aandacht voor coördinatie tot aankomst OvD-G, communicatie en het (werkplek)management. Waar wordt de ambulance opgesteld? Aandacht voor de veiligheid. Het verdelen van taken onder de volgende ambulances.
De triagekaart (methode) volgens de GHOR is opgenomen in protocol 2.2 en 2.3

2.4 Individueel behandelplan / 2.5 Terminale verstikking

Dit is een nieuw protocol. Met de huidige ontwikkelingen binnen de gezondheidszorg zien we steeds meer ambulante patiënten met hele specifieke (thuis)behandelingen. In de LPA 7.2 kennen we al protocollen voor meer algemeen geworden behandelingen zoals de ICD. In de LPA 8 zijn een aantal specifieke protocollen uitgewerkt zoals  behandeling bij de LVAD (5.6) en de sikkelcelcrisis (7.16). Via protocol 2.4 kan de (hoofd)behandelaar met de MMA een individueel behandelplan opstellen. In dit protocol wordt voorzien in een standaard format van zaken die bij zo’n overeenkomst kunnen/moeten worden vastgelegd.
Protocol 2.5 is een heel belangrijk protocol. Er wordt steeds meer maatschappelijk gediscussieerd over het grijze gebied tussen euthanasie en palliatieve sedatief en pijnstilling. In protocol 2.5 worden enkele aandoeningen genoemd waarbij een acuut dramatisch overlijden bij een patiënt kan worden verzacht.

2.6 Infectiepreventie

Het protocol infectiepreventie is overzichtelijke geworden en is meer gericht op de middelen en mogelijkheden die we logischerwijs aan boord van de ambulance zullen hebben. Zo wordt er uitgegaan van 1 mondmasker dat voor alle vormen van isolatie volstaat. Er worden 4 concrete vormen van isolatie omschreven aan de hand va concrete ziektebeelden / verschijningsvormen en de daarbij te nemen maatregelen.

 2.7 Interklinische overplaatsing

Dit protocol is een stuk overzichtelijke geworden. Er worden duidelijk minder waarden en voorwaarden genoemd waaraan een patiënt of apparatuur moet voldoen voor overplaatsing. Wel worden vier categorie patiënt-overplaatsingen genoemd waarbij via een beslisboom blijkt of het onder reguliere ambulancezorg valt of niet en of er wel of geen deskundige begeleiding nodig is. Het lijkt er op dat dit protocol niet helemaal voorziet in een categorie kinderen/neonaten waarvoor geen NICU /PICU indicatie is en waarvoor “reguliere ambulancezorg” niet volstaat. Vermoedelijk zal dit per RAV met de bedienende ziekenhuizen moet worden overeengekomen. Wij zijn benieuwd hoe dit protocol uitwerking gaat krijgen in de praktijk

2.8 Overplaatsing patiënt eigen beademing

Hier is er weer sprake van een specifiek protocol zoals besproken bij 2.4. Wat uit dit protocol naar voren komt en steeds vaker aan de orde is; Als de patiënt eigen apparatuur heeft die goed werkt. Gebruik deze.

2.9 Weigering behandeling

Regelt het informed consent. Een belangrijk verschil met de uitvoering van het informed consent in de kliniek is dat wij bij een ABC-instabiele patiënt die behandeling weigert wel de meest doelmatige en minst ingrijpende (medische) behandelingen gaan toepassen. Denk bij voorbeeld aan een patiënt met een specifieke geloofsovertuiging die donorbloed weigert te ontvangen ook als dit ernstige gezondheidsgevolgen of zelfs overlijden tot gevolg heeft.

Met de “3”protocollen beginnen de “zorgverlenings-protocollen
De “3”protocollen zijn de zogenaamde algemene protocollen.

3.1 Airway

Dit  protocol is ook weer veel overzichtelijke geworden. Zonder de specifiek verwijzingen naar “epiglottis”, “obstructie tracheacanule” en “corpus alienum” wordt nu verwezen naar “specifiek protocol”. Dit geeft de ruimte om bij een bedreigde A als gevolg van een anafylaxie Eerst anafylaxie te behandelen en daarmee erger te voorkomen.

3.2 Breathing

Hoewel het protocol overzichtelijk is geworden. Ook hier is een groot deel van de “pijltjes” verwijderd. Het is logischer geworden. Indien er geen ademhaling is wordt verwezen naar het reanimatieprotocol en bij een insufficiënte ademhaling wordt gespecificeerd wanneer er 100 % O2 gegeven moet worden en wanneer er opgeleide van de SpO2 O2 gegeven moet worden. Wat gebleven is, is dat er eerst een spanningspneumothorax gedraineerd moet worden, een zuigende borstwond moet worden afgeplakt en dat een vreemd voorwerp insitu moet worden gelaten. De “Fladderthorax” is verdwenen. Waar mogelijk nog wat in gaat veranderen in de definitieve LPA is de term beademen. Deze is niet als duidelijk ventilatie-therapie (CO@ uit en O2 in) maar alleen als middel om O2 toe te dienen. Ons inzien wat ongelukkig geformuleerd.

3.3 Circulation

Dit protocol is aanzienlijk gewijzigd. In het protocol circulation is nu plaats voor het 12-afleidingen ECG indien relevant. Daarmee gaat het 12-afleidingen ECG tot de primary survey behoren in relevante casussen. In dit protocol komt het stelpen van een massale uitwendige bloeding niet meer terug. Die komen we later weer tegen bij extremiteiten letsel. Via dit protocol wordt wel weer onderscheid gemaakt waar de instabiliteit van de C vandaan komt in z’n algemeenheid shock of vanwege een tachycardie. Uiteraard wordt vervolgens weer verwezen naar het specifiek protocol. De hypovolemische shock is als individueel protocol verdwenen en is nu onderdeel van het specifieke shock protocol (7.17). Er worden geen absolute waarden meer genoemd als indicatoren van een bedreigde C. Het gaat veel meer om klinische indicatoren.

3.4 Disability

Dit protocol is nog maar een klein protocol geworden. Het komt er in dit protocol op neer dat bij iedere verandering in het bewustzijn of in de neurologie (FAST-test) een bloedglucose bepaald moet worden en vervolgens verwijst dit protocol verder naar een specifiek protocol

3.5 Exposure

Het laatste van de “3”protocollen beschrijft de overgang van de primary survey naar de secondary survey. De AMPLE komt hierin terug, echter zonder het “Last meal”. Dit heeft volgens de expertgroepen geen meerwaarde in de preklinische setting.

In een volgend artikel gaan we verder met de 4-protocollen. Dit zijn de specifiek “zorgverlening-protocollen”

 

* “onze analyse” betreft de analyse van de redactie AmbulanceBlog.nl van de LPA8 zoals die bij de Slotconferentie op 11 februari is gepresenteerd. Hierbij wordt opgemerkt dat het hier om het voorlopige protocol gaat wat nog niet definitief is. Hoewel dit protocol als “pre-release” kan worden beschouwd kan het zijn dat er in het definitieve protocol enkele wijzigingen zullen zijn. Aan “onze analyse” kunnen geen rechten mbt tot de definitieve uitgave en invoering binnen de ambulancezorg worden ontleent.

 

LPA8, nieuwe protocol voor de Nederlandse Ambulancezorg (deel2)
4.3 (86.67%) 3 beoordeling(en)