Home Algemeen Algemeen Kamerbrief ambulancezorg, overdracht medische gegevens, alarmering via pager, stijging spoedritten en aanbesteding

Kamerbrief ambulancezorg, overdracht medische gegevens, alarmering via pager, stijging spoedritten en aanbesteding

2592
0

Minister Schippers stuurt een brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de openstaande toezeggingen uit het algemeen overleg over de ambulancezorg.

In deze Kamerbrief worden onder andere de volgende zaken behandeld;

  • Uitwisseling van patiëntgegevens tussen ketenpartners en Regionale ambulancevoorzieningen (RAV) in relatie tot het medische beroepsgeheim;
  • Knelpunten in het grensoverschrijdend spoedeisende ambulancevervoer tussen Nederland en Duitsland;
  • Privacyaspecten bij openbare informatie over meldingen van ambulanceritten;
  • Analyse van de stijging van het aantal spoedritten in de ambulancezorg.
  • Aanbestedingsproces ambulancezorg

We maken een korte samenvatting van zaken die in deze Kamerbrief te vinden zijn, de gehele Kamerbrief en het onderzoek “Trendanalyse spoedeisende ambulancezorg” is onderaan te downloaden.

Expliciet wordt onderaan de brief ingegaan om het aanbestedingsproces ambulancezorg, hier geeft minister Schippers aan dat: “Een in nauwe samenwerking met AZN uitgevoerde nadere Europeesrechtelijke verkenning heeft bevestigd dat het huidige ordeningssysteem binnen de ambulancezorg, waarbij alleen bestaande RAV’s het exclusieve recht kunnen krijgen om ambulancezorg in een regio uit te voeren, niet houdbaar is.”

 

Uitwisseling van patiëntgegevens tussen ketenpartners en Regionale ambulancevoorzieningen (RAV) in relatie tot het medische beroepsgeheim

Bij veel RAV’s bestaat de behoefte om van ziekenhuizen de uiteindelijke diagnose van patiënten te ontvangen zodat achteraf beoordeeld kan worden of het ambulancepersoneel en de meldkamercentralisten juist hebben gehandeld. Hiermee kan de kwaliteit van de ambulancezorg verder verbeterd worden. Ook ik onderken het belang van feedback op patiëntenniveau met als doel het bevorderen van de deskundigheid van het ambulance- en meldkamerpersoneel zolang dit in overeenstemming is met de huidige wet- en regelgeving.

Na juridisch onderzoek blijkt dat het uitwisselen van patiëntgegevens tussen twee verschillende zorgaanbieders zonder expliciete toestemming van de patiënt, niet in overeenstemming is met de huidige wet- en regelgeving. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) staat dit niet in de weg, maar de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) biedt deze ruimte niet. Ik ga het College Bescherming persoonsgegevens (CBP), de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de RAV’s hierover informeren. Dit betekent dat voortaan aan elke patiënt (mondelinge) toestemming moet worden gevraagd, indien informatie betreffende iemands gezondheid aan het ambulancepersoneel teruggekoppeld wordt.

Knelpunten in het grensoverschrijdend spoedeisende ambulancevervoer tussen Nederland en Duitsland

In het kader van het project Boundless Trauma Care Central Europe (BTCCE) wordt onderzoek gedaan naar de (ervaren) knelpunten in grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van traumazorg en spoedzorg. Het onderzoek is breed uitgezet en het geografische onderzoeksgebied omvat de grensstreek in Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg en Nederland. De resultaten van het onderzoek geven inzicht in de (ervaren) knelpunten in de prehospitale zorg.
Vanuit Nederlandse zijde zijn in het vooronderzoek onder meer de volgende knelpunten aangegeven:

  • Verschillen in competenties, de Nederlandse ambulanceverpleegkundige wordt niet erkend in Duitsland en Duits ambulancepersoneel wordt niet erkend in Nederland;
  • De betaling van grensoverschrijdende ambulanceritten tussen Nederland en Duitsland is nog niet goed geregeld;
  • Privacy bescherming bij uitwisseling van gegevens;
  • Er is onduidelijkheid over de aansprakelijkheid.

De uitkomsten van het vooronderzoek laten zien dat deze knelpunten regiobreed ervaren worden en in de loop van de tijd niet sterk veranderd zijn. Een vergelijkbaar onderzoek is namelijk enkele jaren geleden in de Euregio Maas-Rijn (Zuid-Limburg met aangrenzend gebied in Duitsland en België) uitgevoerd. Bij AZN en de RAV’s in de Duitse grensregio leeft daarom de wens om landelijke afspraken te maken over de grensoverschrijdende prehospitale zorg, bijvoorbeeld in de vorm van een (raam)overeenkomst of regeling tussen Nederland en de Duitse Bundesländer. Op dit moment bestaat er al een vergelijkbare overeenkomst tussen Nederland en België. Ik bezie op dit moment wat de mogelijkheden zijn om tot een soortgelijke oplossing te komen tussen Nederland en Duitsland. Daartoe worden diverse gesprekken gevoerd. In april 2015 zal ook een bijeenkomst plaatsvinden met de ambulancediensten en Rettungsdiensten langs de grens Nederland-Niedersachsen. Deze bijeenkomst is onder meer bedoeld als kennismaking en om te bespreken welke kansen en welke beperkingen er zijn in de grensoverschrijdende samenwerking inzake ambulancezorg.

Privacyaspecten bij openbare informatie over meldingen van ambulanceritten

Op basis van de ervaring die onder meer in Noord-Nederland is opgedaan met een andere werkwijze, heeft de Minister van V&J – mede namens mij – alle hulpverleningsdiensten gevraagd of ze mogelijkheden zien tot het invoeren van een werkmethode die een alarmering zonder adresgegevens mogelijk maakt en als die mogelijkheden er zijn of ze daar toe over willen gaan.
Ambulancezorg Nederland heeft mij laten weten dat zij de leden (alle 25 regionale ambulancevoorzieningen) binnenkort gaat vragen in te stemmen met het uitgangspunt van alarmering via de portofoon. Ik ondersteun dit voorstel en zal u hierover op korte termijn nader informeren.

Analyse van de stijging van het aantal spoedritten in de ambulancezorg

De gegevens, zoals jaarlijks door AZN openbaar worden gemaakt, geven een beeld van de ontwikkeling van het aantal ambulanceritten. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen A1 ritten (inzetten bij acute dreiging van de vitale functies, aanrijtijd in principe maximaal 15 minuten), A2 ritten (geen direct levensgevaar maar wel risico van (ernstige) gezondheidsschade, aanrijtijd in principe maximaal 30 minuten) en planbare ritten (geen spoed).

Het aantal spoedritten (A1 en A2) is tussen 2008 en 2013 gemiddeld met 4,2% per jaar toegenomen. Gemiddeld over deze jaren is er geen verschil in de groei tussen A1 en A2 ritten, wel wijkt het beeld per jaar af. De totale groei van het aantal A1 en A2 ritten varieert per jaar, maar laat geen systematisch patroon zien ten opzichte van de gemiddelde groei. Opvallend is wel de sterke groei van het aantal spoedeisende ritten in het laatste jaar, 2013, van 5,4%. In dat jaar is ook een opmerkelijk groot verschil in groei tussen A2 ritten (0,4%) en A1 ritten (8,1%) zichtbaar. De gemiddelde groei over de gehele periode van het totaal aantal ritten (2,7%) wordt gemitigeerd door een lichte daling van het aantal planbare ritten tussen 2008 en 2013.

Om meer zicht te krijgen op de achterliggende oorzaken van de groei van het aantal spoedritten heeft het RIVM op mijn verzoek een nadere trendanalyse uitgevoerd, waarbij op basis van beschikbare data is bezien of meer duiding kan worden gegeven van de groei van het spoedvervoer.
Uit deze trendanalyse blijkt dat alle RAV’s te maken hebben gehad met een groeiend aantal spoedinzetten (A1 en A2). De jaarlijkse groei tussen de RAV’s varieerde echter aanzienlijk tussen gemiddeld 1,7% per jaar en 8,3% per jaar. In sommige regio’s ging een grote groei van het aantal A1 ritten gepaard met een eveneens grote groei van A2 ritten. In andere regio’s gaat een grote toename van A1 ritten gepaard met een relatief lage groei van het aantal A2 ritten.
De groei van het aantal spoedeisende ritten is waarneembaar in zowel landelijke gebieden als in stedelijke gebieden, al is de groei in sterk stedelijke gebieden iets minder groot dan in minder stedelijke gebieden. Opvallend in de analyse is de relatief sterke groei van het aantal loze ritten (ritten waarbij noch vervoer noch hulp ter plaatse is verleend), al moet daarbij worden opgemerkt dat het aandeel van loze ritten in het totaal aantal spoedritten beperkt is (circa 5%).

In de literatuurstudie is door het RIVM ook geen relevante studie gevonden waarin het effect van triage op het aantal ambulance-inzetten werd bestudeerd. Wel bleek in een aantal regio’s/landen waar ook informatie beschikbaar was over het aantal meldingen, dat het aantal daarvan in de loop van de tijd groeide.
Het literatuuronderzoek naar determinanten van het gebruik van spoedeisende ambulancezorg zou verder inzicht kunnen geven in de vraag welke factoren ertoe hebben kunnen bijdragen dat het gebruik van ambulancezorg in Nederland is gestegen. Veruit de belangrijkste determinanten zijn mate van urgentie en ernst, hetzij door professionals, hetzij door de slachtoffers zelf of omstanders ingeschat. Ook leeftijd wordt in veel studies aangemerkt als een belangrijke determinant. Door kinderen en ouderen wordt vaker een beroep gedaan op ambulancezorg dan door personen uit de tussenliggende leeftijdsgroep. Enkele andere determinanten die volgens enkele studies een samenhang met het gebruik van ambulancezorg lieten zien, zijn auto-ongelukken, zich bevinden op het platteland, de aanwezigheid van comorbiditeit, verzekerd zijn en etniciteit. Bij aandoeningen van het hart en beroerte hebben patiënten met specifieke ziektespecifieke klachten en patiënten met een hartziekte of beroerte in de voorgeschiedenis een grotere kans om met een ambulance vervoerd te worden dan patiënten met vagere klachten of zonder een dergelijke ziekte in de voorgeschiedenis. Maar onduidelijk is in welke mate ontwikkelingen van deze determinanten een bijdrage leveren aan de waargenomen groei van de spoedeisende ambulancezorg.

Aanbestedingsproces ambulancezorg

De vaste commissie verzoekt geïnformeerd te worden over het aanbestedingsproces na expiratie van de Tijdelijke wet ambulancezorg. Over de mogelijke opties voor de structurele wetgeving is VWS nog in overleg met AZN en ZN. Een in nauwe samenwerking met AZN uitgevoerde nadere Europeesrechtelijke verkenning heeft bevestigd dat het huidige ordeningssysteem binnen de ambulancezorg, waarbij alleen bestaande RAV’s het exclusieve recht kunnen krijgen om ambulancezorg in een regio uit te voeren, niet houdbaar is. Met AZN en ZN worden de mogelijke andere opties nader verkend en uitgewerkt. Ik kan nu nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze overleggen, maar zal – zoals eerder toegezegd – uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.

bron: rijksoverheid.nl