Home Algemeen Algemeen De ambulancezorg en (dreigend) terrorisme: zeven uitdagingen (en zorgen)

De ambulancezorg en (dreigend) terrorisme: zeven uitdagingen (en zorgen)

1705
1

Nederland bereidt zich voor op de mogelijkheid van een terroristische aanslag. Dit geldt voor de nationale overheid, gemeenten, veiligheidsregio’s, de politie en het Openbaar Ministerie. Ook de witte kolom bereidt zich voor, zowel als keten als binnen specifieke sectoren en instellingen. Voorbeelden zijn de benoemde uitgangspunten in de zogenoemde Commanders Intent die is opgesteld in samenwerking tussen enkele directeuren publieke gezondheid (DPG’s) en de uitwerkingen die plaatsvinden in samenwerking tussen Ambulancezorg Nederland, politie en andere partners.

In de afgelopen twee jaar was het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement betrokken bij tientallen scenariosessies en oefeningen rond terrorismegevolgbestrijding en schreven we mee aan handreikingen en multi-plannen. De ambulancezorg kwam hierbij veelvuldig aan bod. In dit artikel beschrijven we kort de meest genoemde vraagstukken en zorgen. Deze punten zijn bedoeld als input voor het nadenken over de gewenste voorbereiding binnen ambulancediensten en binnen de keten als geheel. Het gaat daarbij vooral om een aanslag met meerdere slachtoffers of om meerdere aanslagen. De overkoepelende uitdaging voor de komende twee jaar is het implementeren van de ontwikkelde aanpak en doctrines in opleidingen, procedures en middelen.

1) Hulp verlenen

De combinatie van type verwondingen en een mogelijk vervolgrisico vergen keuzes in de wijze van optreden. Dit geldt voor ambulancepersoneel als het gaat om het triëren en het bieden van zorg ter plaatse. Het vergt het kunnen herkennen van bepaalde verwondingen en het omgaan met specifieke omstandigheden (zoals beschadigde trommelvliezen waardoor slachtoffers letterlijk de hulpverleners niet kunnen horen). Inzicht in verwondingen betekent ook dat kan worden nagegaan welke instrumenten en materialen nodig kunnen zijn (zoals knelverbanden en tourniquets). In de bestaande voorbereidingen is onder meer als uitgangspunt benoemd het ‘do the most, voor de most’: doen wat het beste is qua zorg voor de hele groep en niet alleen wat het beste is voor een individu. Als we ervan uitgaan dat er ook eerste hulp ter plaatse komt van omstanders, dan is één van de uitdagingen de wijze waarop de professionals hierop aansluiten of aanvullen.

 2) Eigen veiligheid

Eigen veiligheid van hulpverleners is cruciaal. Iedere inzet gaat gepaard met risico’s: als hulpverlener ga je immers naar een vaak onzekere situatie. Er kan van alles gebeuren met de patiënt, met omstanders en op en rond de locatie: van vrijgekomen gevaarlijke stoffen tot agressie en geweld. Toch speelt rond terrorisme de zorg over de eigen veiligheid veel sterker dan in de dagelijkse situatie en bij veel andere crisistypen. Ambulancepersoneel moet zo snel mogelijk ter plekke zijn. Veel vragen en zorgen gaan over een zogenoemde dynamische situatie met bijvoorbeeld nog een aanwezige schutter of anderszins gevaarlijke dader. In het afgelopen jaar was de meest gestelde vraag vanuit ambulancepersoneel de vraag ‘wie bepaalt of het veilig is en hoe hoor ik dat’? Van de politie mag advies worden verwacht over de veiligheid en bijvoorbeeld over een geschikte locatie voor het gewondennest. Dan nog zullen er mogelijk geruchten of verdachte situaties zijn die ervoor zorgen dat hulpverleners zich (tijdelijk) terug moeten trekken of moeten verplaatsen. In Brussel waren dit onder meer een geparkeerde auto (bomauto?) en een persoon op het dak (een mogelijke terrorist?).

3) Alarmering en de meldkamer

Het belang van snelle duidelijkheid over mogelijk terrorisme is belangrijk voor de professionals ter plaatse, maar het begint bij de alarmering. Direct na een incident is vaak nog niet duidelijk wat er aan de hand is. In de alarmering wordt gekozen voor een bepaalde duiding: van brand tot een heftig verkeersongeval met doden. Dit laatste was de melding na de aanslag in Berlijn. De eerste wagens weten vaak nog niet dat zij richting een mogelijke aanslag rijden. Personeel dat korte tijd later wordt opgeroepen heeft waarschijnlijk wel de berichtgeving gehoord. Zeker als een situatie er direct uitziet als terrorisme, zoals wanneer er meerdere schutters zijn of meerdere explosies. Professionals maken een eigen inschatting van mogelijk terrorisme. Dit staat los van de formele duiding door experts en de publieke duiding als terrorisme. Een belangrijke opgave in de voorbereiding is het zorgen voor een passende werkwijze binnen de meldkamer en een goede samenwerking met de politie. Zijn aangepaste instructies bij het aanrijden nodig? Zijn er bijzonderheden wat betreft de spreiding van gewonden bijvoorbeeld als er veel mensen met schotwonden zijn of juist met verwondingen door explosieven?

4) ‘CBRN’

Een zorg is dat er mogelijk chemische, biologische, radiologische of nucleaire middelen worden gebruikt (CBRN-agentia). In de scenariosessies en oefeningen, maar ook bij het opstellen van de incidentplannen, merken we dat hier veel vragen over zijn. En we hoorden regelmatig de waarschuwing dat de voorbereiding op grotere CBRN-incidenten er maar beperkt is. Aanwezigheid van CBRN-agentia kan met metingen worden vastgesteld, maar dit kost waardevolle tijd. Een belangrijke inzetkeus is dan ook of uit wordt gegaan van better safe than sorry: eerst meten, dan inzetten. Het alternatief is precies het omgekeerde: ervan uitgaan dat er geen CBRN is gebruikt, totdat blijkt dat dit wel het geval is. In de voorbereidingen die wij kennen wordt gewerkt met het laatstgenoemde uitgangspunt. Een volgende stap in de voorbereiding is wel dat er serieus wordt gekeken naar de voorbereiding op CBRN en vooral de praktische inzetbaarheid van mensen en middelen: wat kan hoe snel worden ingezet? Ziekenhuizen en ketenpartners zijn vaak alleen voorbereid op kleine aantallen besmette patiënten.

5) Communicatie tussen hulpverleners

De ervaringen bij aanslagen in het buitenland hebben laten zien dat na een aanslag het risico bestaat dat de communicatiekanalen voor hulpverleners wegvallen. Het mobiele telefoonverkeer kan uitvallen en communicatiekanalen kunnen overbelast raken. Dit is niet uniek voor terrorisme. Iedere ramp kan leiden tot een piek en overbelasting. Er kunnen afspraken gemaakt worden over prioritering bij grote drukte in het gebruik van frequenties. Ook kunnen alternatieve netwerken worden ingezet, zoals een noodnetwerk van Defensie, maar dit kost veel tijd en biedt geen soelaas voor de directe hulpverlening. In België hebben hulpverleners gebruikt gemaakt van WhatsApp. Het is niet altijd mogelijk om dit alles te voorzien of te voorkomen. Wel kan worden nagedacht over de wijze van communiceren als het mis gaat: wat zijn werkbare alternatieven ook al zijn ze niet ideaal?

6) Het belang van het informeren van het thuisfront

Zorgen over de eigen veiligheid leven ook bij het thuisfront. Natuurlijk geldt dat er altijd risico’s zijn die horen bij het vak van hulpverlener. Maar omdat er een risico is op vervolggevaar is het belangrijk om na te denken hoe het thuisfront kan worden geïnformeerd en welke rol de werkgever hierin heeft. Zeker als de communicatiemogelijkheden beperkt zijn en professionals de eigen familie niet kunnen bereiken. Het informeren van familieleden kan meer specifiek nodig zijn na geruchten over vervolggevaar (zoals nog een dader) of na een werkelijk tweede incident op een moment dat al veel hulpverleners zijn ingezet.

7) Mensen en middelen in reserve houden voor een vervolgaanslag?

Als ergens een aanslag plaatsvindt met veel slachtoffers, is de behoefte aan ambulances groot. Er zijn afspraken over het verlenen van bijstand. Tegelijkertijd moet ook rekening worden gehouden met benodigde inzet in de eigen regio voor in ieder geval de acute zorg. Ook kan er altijd een grootschalige tweede inzet nodig zijn in de eigen regio. Is het daarbij proportioneel om rekening te houden met een aanslag? Dit kan een tweede aanslag zijn in dezelfde gemeente of een aanslag elders: worden ambulances in reserve gehouden daar waar er grotere risico’s zijn voor een vervolgaanslag? Het standpunt tot nu toe is dat er geen specifieke ‘reserve’ volgt voor terrorisme maar wordt volstaan met de reguliere restdekking.

De volgende stap: van bewustwording naar uitvoering

Er is een steeds duidelijker en steeds meer gedeeld beeld van de uitdagingen, de hoofdlijnen van de aanpak en de gewenste wijze van optreden bij terrorisme (doctrine). We zijn met elkaar dan ook het stadium van ‘bewustwording’ vergroten ruimschoots voorbij. De uitdaging is nu om de vertaalslag te maken naar de werkwijze en implementatie: op de meldkamer, op locatie en in het vervoer van patiënten. Dit vergt keuzes voor de voorbereiding wat betreft:

  • eventuele extra middelen op de ambulance;
  • planvorming (crisisplan, scenario’s);
  • werkinstructies (meldkamer, OvD-G, professionals op de ambulance);
  • opleiden, trainen en oefenen (OTO) (onder meer in het kader van Grootschalige Geneeskundige Bijstand);
  • de gewenste CBRN-voorbereiding.

Hoe ver deze voorbereiding moet gaan hangt mede af van de stand van de huidige generieke voorbereiding. Wat wil je als ambulancedienst kunnen? In welke mate voldoen bestaande voorbereidingen? Wat is er extra nodig? Wat doe je als organisatie zelf en wat als branche of als keten? Deze vragen zullen op de agenda staan (of komen te staan) van iedere ambulancedienst en van iedere DPG. Een groot deel van de voorbereidingen op terrorisme komen ook ten goede aan de voorbereiding op andere type rampen en crises.

Zie voor meer informatie over terrorisme en de zorg dit totaaloverzicht: https://www.linkedin.com/pulse/het-crisistype-terrorisme-meer-aandacht-voor-de-rol-van-marco-zannoni?trk=mp-reader-card.

Beide auteurs zijn werkzaam bij het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement. Voor meer informatie: www.cot.nl.

1 REACTIE

  1. Goed stuk, houd ook rekening met secondary IED’s om de hulpverleners te raken. Ook mis ik het gebruik van het Calamiteitenhospitaal in Utrecht.

Comments are closed.